Terug naar Jean-Paul's Travel Page
Terug naar Jean-Paul's Home Page
Onze Kilimanjaro tocht is zes jaar lang een
droom gebleven. Sylvia was nog te
klein, en haar en mijn huidproblemen zorgde er wel voor, dat dergelijke tochten
uit de kwestie waren. Aan het begin van
dit jaar waren wij allebei veel beter, en Sylvia was goed genoeg om eens bij
vriendinnetjes te gaan slapen. Zou onze
droom werkelijkheid worden? Wij lazen
erover, besproken de tocht, lazen nog meer.
Ik begon in Maart te trainen op de trap van 305 treden naar het dorp: in
het begin maar drie keer op en af, tegen het eind zeven keer elke ochtend, met
bergschoenen aan en 6 kg op mn rug.
Speciale kledij moest aangeschaft worden of geleend worden. De laatste week was ik drukker met alles
regelen voor de kinderen dan met voorbereidingen voor mijzelf!
Toen wij in Tanzani aankwamen, was het
toevallig helder weer meestal is het in dat gebied bewolkt. Vanuit het vliegtuig zag je in de verte de
berg zo groot, zo hoog steekt hij boven de vlakte uit, dat het de adem
beneemt om het alleen te zien, laat staan te klimmen! De sneeuw blonk
in de ondergaande zon, en wij waren diep onder de indruk.
Bij Kilimanjaro vliegveld moesten wij
overal wachten bij de wc (er was maar n dames-wc!), voor de douane en voor
de visas. Wij waren de laatste in de rij, en de
douane-amptenaar liep weg voordat Jean-Paul de visas had. Wij liepen hem
achterna, maar hij wuifde ons gewoon door.
Buiten was het al donker de berg was
verdwenen. Onze eerste kennismaking
kwam met wat een bekend toneel zou worden: een drukte van mensen, bagage,
bussen en jeep, waar iedereen elkaar in de weg loopt, naar elkaar roept, waar
je van her naar der gestuurd word.
Jean-Paul was op zoek naar zn loopstokken, die een stewardes in
Johannesburg van hem heeft overgenomen.
Uiteindelijk komt hij terug met
zn stokken!
Wonderbaarlijk is het wel, maar het lukte
toch om alle bagage en mensen in de juiste vervoermiddels te proppen. Wij zaten in een stampvol busje en
vertrokken naar Keys Hotel in Moshi, begeleid door een vriendelijke man in een
hagelwit overhemd. De tocht duurt nog
45 minuten, waarin wij wat kennis maken met medeklimmers. Er waren 2 grote groepen: een die geld
tracht in te zamelen voor Childline en de andere van Vodacom. Het leek een onwaarschijnlijk stel mensen om
de hoogste berg in Afrika te beklimmen!
Bij het hotel werden wij vriendelijk ontvangen en een rondavel toegewezen. Dan was er nog een briefing eigenlijk alles wat wij al wisten. Volgens de gids was Arrow Glacier wel een mogelijkheid het is een alternatieve, moeilijkere roete die vooral Jean-Paul aantrok. Daarna eten, de tassen organizeren en eindelijk, eindelijk slapen wij zijn die ochtend om 6:30 van huis vertrokken! Gelukkig waren er geen of weinig muggen. Een laken was genoeg in de zwoele tropennacht
88888888888888888
EERSTE DAG: UMBWE HEK (1500m) TOT UMBWE GROTTEN (2850m)
Alhoewel er heelwat mensen waren die gingen klimmen, werden Jean-Paul en ik onze eigen gidsen en kruiers aangewezen. De volgende ochtend was het een drukte van jewelste, met tassen overal die naar verschillende punten moesten, bussen en landrovers die overladen werden en ondertussen probeerden wat andere mensen hun waren te verkopen. Een lange, langzame hobbelrit volgde, in een bus over een zandweg die tussen bananenboorden doorslingert, met hier en daar wat huisjes, en mensen die in hun zondagse kleren an de weg stonden. Het eindpunt van de reis beginpunt van de Umbwe roete. Het ons nu bekende toneel: zijn er weer heelwat mensen, en een mengelmoes van zakken, manden en tassen. Mannen schreeuwen naar elkaar, sjorren met touwen, pakken dingen over, staan niets te doen en toch, wonderbaarlijk, gebeurt er alles wat er moet gebeuren. Ik zie een man voorzichtig eieren overpakken, en dacht dat ze waarshijnlijk voorgekookt waren. Mis: voor ontbijt kregen wij elke dag een omeletje! Wij worden voorgestelt aan onze hoofdgids, Freddy: een slanke man met een hartelijke glimlag. Een probleem van de kruiers zijn niet komen opdagen. Freddy, onze hoofdgids, blijft wachten met de andere twee kruiers. Na ongeveer een uur vertrekken wij eindelijk met Isaac, onze andere gids, die behalve zijn eigen rugzak ook nog een grote zak op zijn hoofd draagt.
Na al dat lawaai is het stil in het bos
wij horen heel weinig vogels of andere dieren.
Het regenwoud is hoog en dicht, het pad van donkerrode, natte klei. Wij stappen langzaan door eerst op een
jeeppad, dan op een wandelpad. Langzaam
is belangrijk voor hoogteacclimatisatie het is tevens gemakkelijk en goed om
een pas te hebben waaarvan je niet moe word, en waarbij je ook rond kan
kijken. De gidesen raden iedereen aan
om pole-pole te stappen. Niettemin
halen wij na een tijdje al de anderen in die een half uur eerder vertrokken
waren.
Al gauw liepen wij in de wolken: dikke
dichte, bijna tastbare mist. Het hele
bos droop, alles was kleddernat wij ook, maar dan meer van het zweet! De bomen, boomvarens en lianen leken donker getst op de grijze
achtergrond. De enige kleur waren de
roze impatiens bloemen bij onze voeten, en de mos die alles bedekte. Witte
begoniabloesems lagen op het pad gestrooit.
Wij stapten maar door en door, steeds hoger, deze geheimzinnige,
onzichtbare berg op. Dan merk je dat
het lichter word, dat de grond droger word.
En ineens is er zon! Het bos is wat dunner en het druipt niet meer: wij
zitten nu boven het wolkendek Voor dat
wij het eigenlijk verwachtten zijn wij bij de kampeerplaats Umbwe Grotten
(hoogte 2750 m). Ik was blij dat ik
warme kleren in mijn rugzak had zodra je stopt word het koud in zon
kleddernat t-shirt! Wij eten wat,
praten wat, filmen wat - tevreden om
gewoon te zijn, zonder om bezig te
moeten zijn. Wij voelen ons bevoorrecht
om op deze berg te kunnen zijn, worden er eigenlijk stil van.
Langzaam vult de kampeerplaats met mensen
die in mindere of meerdere maten moe zijn.
Kruiers beginnen tenten op te slaan.
Onze kruiers zijn er nog niet, en wij doen onze regenkleding aan om warm
te blijven. Wij ontmoeten een stel
IJslanders, waarvan een de hoogste piek van elk continent binnen een jaar wil
klimmen. Dit is zn 3e tocht. Hij is ook al naar de 2 polen getrokken.
sAvonds klimmen wij nog een eindje omhoog
en raken gauw het pad kwijt. Dat laat
je beseffen hoe moeilijk het moest geweest zijn voor de eerste klimmers! Struikelend over lianen met gemene dorens,
en in putten bedekt met mos gaan wij voort.
Maar wij worden beloond: tussen de bomen door ons eerste blik op de
top. Nog heel ver, heel hoog blinken de
gletsjers in de late middagzon. Zullen
wij dat halen?
Terug bij het kamp: onze kruiers zijn er,
de tenten staan er en wij kunnen ze nog net organiseren voor het donker word. Gauw doen wij wat warmenre kleren aan, en
delen er ook wat uit aan medetrekkers die niets warms bij hun hadden en nog
kleumend op hun spullen zitten te wachten.
Wij worden getracteerd op popcorn en thee. Rondom ons word druk gepraat in Swahili. Wat zouden ze allemaal over ons zeggen? Van de andere groep zijn de porters er nog
steeds niet, en een paar hebben geen warme kleren bij zich, dus wij lenen ze
wat. Tussen de bomen door zien wij de
sneeuwtop in de ondergaande zon.
Jean-Paul haalt zn panfluit tevoorschijn de eerste noten tekenen
brede grijnzen op sommige gezichten.
Wij zitten heel sjiek aan tafel, met een
tafelkleed en kampeerstoeltjes, en de driegangsmaaltijd van soep, een stamppot
en fruit laat zich smaken. Wij hebben
allebei een beetje hoofdpijn, maar ik had het al vanochtend bij het hotel, dus
het zal wel niet van de hoogte komen.
Wel word ik ietsje duizelig al ik voorover buig, mar dat gaat meteen
weer over.
Wij kruipen er al vroeg in, maar de
Tanzanirs om ons heen praten nog lang door.
Wel moet ik er snachts 2 keer uit om naar de wc te gaan ben namelijk
heel veel aan het drinken, hetgeen aangeraden word tegen hoogteziekte.
88888888888888
TWEEDE
DAG: UMBWE CAVES (2850m) TOT BARRANCO (3950m)
Wij worden al vroeg wakker. Het is kil buiten, maar zodra de zon schijnt
word het warmer. Voor ontbijt kregen
wij toast, mieliepap fruit en een omelet wat een maaltijd! Pakken gebeurd gauw maar toch gek dat
alles moeilijker in de tas past op de tweede dag. Jean-Paul loopt omhoog in zn lichte schoenen, zn bergschoenen
zitten in mijn tas voor de laatste dag. Ze nemen heel veel plaats in en wegen 2
kg - ik ben blij dat ik ze niet hoef te
dragen!
Het was een prachtige wandeling. Het bos werd steeds dunner, tot het slechts
uit dunne boompjes van zon vier meter hoog bestond, meestal begroeid met
korstmos. In plaats van bloeiende
planten aan onze voeten, was de bodem nu bedekt met mos. Wij liepen op een nauwe riggel naar boven
aan allebei de kanten ging het steil naar beneden. Omdat het bos dunner werd hadden wij zo nu en dan uitzicht: op
het wolkendek onder ons, de kloven aan weerskanten en Mount Meru in de verte.
Ineens zijn de boompjes weg. Grote Erica-struiken zijn ervoor in de
plaats. Overal bloeit Helichrysum. Het meest opvallend zijn de Senecios met
dikke stammen en grote, leerachtige bladeren lijken ze wel een soort
oerplant. Inderdaad kunnen ze honderden
jaren oud worden. Wij stoppen voor
lunch in een veld vol bloemen. Ik voel mij goed, heel goed zelfs: vol energie
maar toch van binnen rustig, het vlaagje hoofdpijn van de dag ervoor over. Al is de lucht opmerkelijk dunner gaat het
ademhalen en het stappen nog gemakkelijk en ritmisch en mijn rustpolsslag is
nog steeds rond de 60. Wij maken samen
gekkigheid tijdens de lunch en zitten vol plagerijtjes een teken dat wij
ontspannen zijn! Onze lunch was verpakt
in folie alles apart, dus elk pakje was weer een verrassing. Sorry Jean-Paul dat lange rechthoekige
pakje was geen chocola, maar een wortel!
Wij lopen verder met de IJslanders, met wie
wij het wel kunnen vinden mensen met kennis en respect voor de bergen. Ik merk ineens dat wij alleen een kleine
schaduw rond onze voeten hebben. Dat
klopt: wij zijn zowat op de evenaar en het is September, dus bijna equinox. Het heeft wel een voordeel dat je zo weinig
mogelijk blootstelling aan de zon hebt.
Het is wel warm als je loopt, en mijn zonnebril heeft ruitewissers nodig
van al het zweet dat naar beneden stroomt.
Ik blijf maar drinken. Het pad
word wat stijler. Om de 20 seconden
neem ik een diepe buikademing en probeer het even in te houden, en vind dat het
helpt om de ademhaling gelijkmatig te houden.
Ineens ligt het voor ons: de hoge,
ontzaglijke koepel van de top, gekleed in gletsjers en flarden wolken. Hoog, koud en onpersoonlijk, enorm en
indrukwekkend. Vlak voor ons ligt de Barranco-vallei, bestippelt
met tentjes. Erover torent de
Barranco-muur, steil en onverbiddelijk.
Wij zijn er: onze tweede kampeerplaats, Barranco
Hut, 3950m. Ik ga mij eerst wat wassen
in het ijskoude siepelende stroompje, daarna smaakt een kopje thee en popcorn
best. De berg trekt helemaal open: wij
kunnen onze ogen er niet vanhouden. Nu
moeten wij onze beslissing nemen, Arrow Glacier of de algemene roete via
Barafu. Volgens Freddy kunnen wij Arrow
Glacier aan, het is ook een veel interessantere route. De IJslanders gaan ook via Arrow Glacier,
maar hebben een dag extra om op deze hoogte te wandelen en te acclimatiseren.
Ik ga naar het stroompje om water te
filteren voor de volgende dag ongeveer 10 liter. Het is een moeizaam, langzaam werkje, maar toch belangrijk. Als mijn duimen zeer gaan doen gebruik ik
mijn knieen. Frank, een van de porters
komt ook en laat mij zien waar het beste water is. Hij vraagt mij ook of wij de tips apart geven, anders nemen de
gidsen het meeste. Een hele religieuze
discussie volgt, tot zn waterton vol is.
Ik blijf nog doorpompen, zie de Childline groep moe aankomen, en dan
kruipt de zon heel snel uit het kloofje waar ik zit en wordt het ineens
koud. Met mijn rugzak vol met schoon
water en koude, stijve handen ga ik weer naar boven. Ondertussen is het eten klaar, maar Jean-Paul is er niet, ook
niet bij de IJslanders. Ik wacht dus
wat, en zie hem dan het pad afkomen hij was wat omhooggestapt.
Wij eten deze keer in de tent er is
ineens wind opgekomen en het is koud buiten.
Jammer genoeg waait er ook heelwat stof in de tent, dus wij proberen
alles te bedekken. Het lekkerst van
alles is de soep lekker warm! Tijdens de maaltijd ging de zon
onder. Terleurgesteld
keken wij elkaar aan dat wij het gemist hadden, maar even later gloeit de berg
na in zachte tinten.
Nog wat thee, even tanden poetsen en naar
de putlatrine, en lekker de tent inkruipen.
Jean-Paul speelde nog wat op de panfluit en ik zong mee. Wij voelden ons knus en tevreden, in ons
kleine tentje op de grote berg, onder de wijde hemel en in Gods handen.
Snachts moest ik er natuurlijk weer
uit. Het voordeel was dat ik van de
berg kon genieten in de maneschijn!
888888888888888888
DERDE
DAG: BARRANCA (3950m) TOT LAVA TOWER (4600m)
De volgende ochtend was ik al vroeg
wakker. Het was koud buiten
waarschijnlijk rond het vriespunt, maar het werd meteen een boel warmer toen de
zon opkwam. Jean-Paul, wijze man, bleef
in zijn slaapzak tot de zon er was! Ik nam mijn bijbeltle en ging een plaatsje
zoeken om even alleen te zijn met God.
Het was niet moeilijk om tot aanbidding te komen met zon grandioos,
krachtig uitgedrukt uitzicht van rots en ijs en sneeuw, en de woorden van de
psalmen bleven de hele dag bij mij: Leid mij op een rots die mij te hoog zou
zijn. Want Gij zijt mij een
schuilplaats geweest
Majesteit en luister zijn voor zijn
aangezicht, sterkte en glorie in zijn heiligdom.
En natuurlijk
psalm 121: Ik hef mijn ogen op naar de bergen
Met verkwikte geest keerde ik terug. Jean-Paul was ondertussen dus ook opgestaan, en het ontbijt was bijna
klaar. Hier zaten wij weer aan ons
tafeltje in de wildernis, met mieliepap, geroosterd brood en omelet. Veel trek hadden wij niet, want eetlust
vermindert met hoogte. Daarna weer de
spulletjes pakken Jean-Paul in de tent, ik erbuiten, anders zitten wij elkaar
te veel in de weg. Ik had alles
ingepakt en zag toen nog mijn handschoenen liggen deed ze daarom in mijn
dagrugzak. Daar ben ik later blij om
geweest!
Verder trekken, langzaam omhoog. De plantegroei verminderde snel; geen
struiken meer, alleen geharde gewasjes die hier en daar tegen de rotsen
groeien, inclusief een vreemdsoortige Lobelia, wiens spiraalvormige bladeren
snachts over de bloemen sluiten. De Senecios stonden als oude, wijze wachten
vaak tegen de lucht in silhouette het leek alsof ze ons komen en gaan
zegenden.
Wij begonnen te klimmen in heldere
zonneschijn, maar heel gauw kwam de mist opzetten. Met de mist kwam wind, en het was ineens heel koud. Freddy had dus niet voor niets zn mooie
kleurrijke geborduurde Kilimanjaro-muts aangehouden! Wij deden allen warmere kleren aan inclusief de
handschoenen! Jean-Paul was wat aan het
afdwalen met de videocamera wij stonden stil om op hem te wachten, maar het
werd daar veel te koud voor. Wij
stapten verder door de mist, door de rotswoestijn, langzaam, bewust diep
ademend, trede voor trede. Ik vind het heerlijk om in de mist te lopen,
mits je een goed pad hebt, of in dit geval, een goede gids. Doordat het grootse om je heen verdwijnt,
krijget het kleine en dichtbije meer betekenis. Vreemde vormen
doemen op uit de mist, krijgen vorm, kleur en definitie en verdwijnen weer
achter je. Daar
zit geloof ik een levensles in
Freddy liep de hele tijd met zn radiotje
aan weliswaar zacht, maar toch was Radio Tanzania een indringer tot de
stilte. De berg speelde zn eindeloze
verstoppertjespel met de wolken: nu zag je hem, nu zag je hem niet. Brokken zonlicht verlichtten vlug en fel een
gletsjer of rots, en was dan even gauw verdwenen. Af en toe zagen
wij Lava Tower in de verte: ons doel voor de dag.
Op sommige plaatsen waar er grond was
tussen de rotsen, leek het wel netjes aangeharkt. De wind blaast kleine geultjes in het zand, en als er dan een
beetje regen valt bevriest het zo. Het
leek net een Zentuin, met hier en daar een klein strategisch geplaatst plantje.
Plichtmatig stopte wij voor lunch wij
hadden geen van beiden trek. Onder het
lopen was aan het denken over de factoren die altitude sickness
beinvloeden. Vrouwen hebben er
blijkbaar minder last van dan mannen, en inderdaad voelde ik mij beter dan
Jean-Paul, had ook veel meer energie.
Zou dat komen omdat vrouwen iedere maand een stimulus krijgen om een
heleboel nieuwe rode bloedcellen te maken?
Zou het tot mijn voordeel strekken, dat ik om de twee maanden bloed
schenk? Aangezien hoogte ook tot
vochtverlies leidt, met resulterende acidosis, leek het mij ook verstandig geen
proteinen te eten zin erin hadden wij toch niet.
Dan weer verder. Voor Lava Tower
nog een vallei steil op en af hier lag de eerste ysklomp in de schaduw. Hier kwamer wij een
Duitser tegen, die wij in het hotel ontmoet hadden, en die ook dichtbij
Kaapstad woont. Hij had wel veel last
gehad van de hoogte: braken en erge hoofdpijn, maar dat was nu beter. Na even praten gingen wij verder in
tegenovergestelde richtingen, met hetzelfde doel: de top, over twee dagen. Het kon net zo goed 2 weken, 2 jaren, 2
eeuwen zijn, het was nog steeds ver, onwaarschijnlijk, onbereikbaar. Tijd begon zich te vervormen in deze harde,
winderige mistwoestijn. Ik geloofde er wel in, in die bergtop, en
hield aan dat geloof vast, en de onwrikbare wil in mijzelf, om er heen te
gaan. Ik vergeleek het met mijn geloof
in God, waar ik mij ook aan vast moest houden in de wind en de mist van het
leven, ook wanneer de gewone, vanzelfsprekende dingen bewust en moeilijk worden
zoals ademen nu was. Leid mij naar
een rots die mij te hoog is
Daar was hij dan, de rots. Lava Tower.
Een kolossale, min of meer rechthoekige basaltrots, eens hier
neergeworpen door onvoorstelbare aardskrachten, en blijven staan terwijl de
lava aan weerskanten naar beneden vloeide.
Langzaam krabbelde wij langs de kant omhoog, en waren blij om ons tentje
te zien schuilen aan de voet: tussen de rotsen, wat uit de wind. De kruiers hadden dus de tenten al opgezet
ze waren ons vanochtend vroeg al voorbijgestoken. Dankbaar kropen wij erin om wat warmere kleren aan te doen en wat
in onze slaapzaken te kruipen. Al gauw
hoorde wij het nu bekende geluid van popcorn uit de gidsentent komen. Wij hebben al dat eten helemaal niet nodig,
maar willen niet ondankbaar lijken. Wel
gewaardeerd word de warme thee.
Jean-Paul drinkt liever chocola hij hoopt de cacao op in zn
beker, hoopt er melkpoeder
bovenop. Zo lijkt het net KilimanjaroGrinnekend
kijken wij elkaar aan. Kinderlijk?
Jawel, maar het samen lachen om kleine, koddige dingen is zo belangrijk in ons
huwelijk.
Een grote kraai vliegt krassend om ons
kampje heen kennelijk gewend om gevoed te worden. Ook tippelen er kleine grijs met witte vogeltjes rond, hun veren
pluizig uitgezet tegen de kou. Deze
geharde kleine mountain chats zijn heel mak ik heb respect voor ze het is
niet makkelijk om hier te overleven! Ze
komen heel dichtbij om wat gevallen pocorn op te pikken, dus haal ik vlug de
videokamera. Later loop ik wat om de
rots heen en vind ook sporen van een kleine anteloop.
Ik ga terug, en neem een foto van Jean-Paul
met muts aan en dikke jas aan in zn slaapzak.
Dan doe ik heel vestandig en kruip ernaast. Tot mijn verbazing lukte het mij wat te slapen, hetgeen mij deugd
deed. Jean-Paul sliep wat meer dan mij
had het kennelijk nodig!
Aan het eind van de middag kruipen wij
eindelijk uit de tent, want wij wilden nog wat hogerop lopen op het pad naar
Arrow Glacier, dat voor ons in de mist verdwijnt. Eerst wat omlaag, dan omhoog door het brosse gruis. Wij zijn nu net onder de gletsjers.
Het stroompje water in de vallei is omringd met
ijs, en een moerasje met een grasachtig gewas, dat ongelofelijk groen lijkt in
de geelbruine rotswoestenij. Het pad
zwerft op en neer in gletjervalleitjes, die waarschijnlijk een tiental jaar
geleden nog bedekt waren met ijs. Het
zijn echt typische U-vormige valleitjes, met een streep rotsen aan de zijkant
en hier en daar grotere hopen rotsen tussen alle kleinere op de bodem, waar de
gletsjer ze gelaten heeft toen hij smolt.
Ineens trekt de mist weg, en het schouwspel
begint in het late middaglicht.
Loodrechte rotswanden reizen omhoog naar gebroken, gekartelde
pieken. Gletschers blinken in contrast. De route naar boven door de Great Western
Breach is nog een raadsel voor ons, maar laten wij ons nu maar beperken tot
genieten van het uitzicht! Wij keren
terug, maar stoppen vaak om naar boven te kijken, en achter ons, waar weereens
de wolken tegen de kransen spelen.
Terug bij het kamp is het eten klaar. De soep is heerlijk, 1 pannekoek gaat wel,
maar van het grote bord met kip, sperzieboontjes, wortels en aardappels hebben
wij het meest laten staan. Dan nog
fruit toe ook!
Jean-Paul kruipt na het eten meteen de tent
in. Ik probeer nog wat te
schrijven, maar met de kou en de lage
luchtdruk doet de ballpoint het elke keer niet ik stop het elke keer onder
mijn oksel om het te verwarmen. Ik krijg het zelf ook te koud en de zon is
onder, dus blaas ik ook maar de aftocht, en kruip in mijn slaapzak mat zoveel
mogelijk kleren aan.
Het werd een eindeloze nacht. Thuis heb ik vaak last van winderigheid,
maar met de lage luchtdruk was het een wanhoop. Ik lag dubbel van de krampen, en mn buik was opgezet als een ballon. De winden knalde eruit ik weet niet wat de
Tanzanirs ervan dachten, maar ik kon er niets aan doen. Het bleef maar doorgaan en doorgaan. Kon ik maar de bacterile flora in mijn
ingewanden wijs maken, dat met al dat gas wat ze produceerde, de luchtdruk in
mijn buik veel, veel hoger was dan erbuiten?
Ik had van alles mee wat medicijnen betreft: antibioticum,
antibraakmiddel, antidiarreemiddel wat ik niet had was een
antiwindmiddel! Na vele pijnlijke uren
besloot ik maar een antihistamine te nemen daar heb ik tenminste wat op kunnen
slapen
Tussen de krampen en de winden door hoorde
wij het donderend geluid van vallend ijs, en later het klaaglijk gehuil van een
jakhals.
88888888888888888888888
Dit was dus een makkelijke dag, wij hoefden alleen maar 300m klimmen. Dit was ten eerste om te acclimatiseren en ten tweede om te rusten voor de laatste, zwaarste klim naar de top, die rond middernacht zou beginnen.
Wij hoefden dus niet vroeg op te staan,
maar waren toch vroeg wakker. Ik omdat
ik eindelijk naar de wc kon dat gaf opluchting! De vloer van de putlatrine boog onheilspelbaar door onder mijn
bergschoenen, dus ik was nog meer opgelucht dan normaal om eruit te gaan. De latrines hebben slechts een gleuf in de
vloer, helaas word die niet altijd raak geschoten. Ze zijn ook zeer ondiep: of de grond is te hard om diep te graven,
of mensen gooien en ongeschikte afval in, zoals plastic zakken. In ieder geval zijn ze niet erg appeteitelijk,
met het gevolg dat veel mensen ze niet gebruiken. Nu zou dat niet zo erg zijn als hoopjes behoorlijk bedekt werden
en wc-papier verbrand werd, maar overal vind je menselijke afval en fladderend
wc-papier. In dat koude, droge klimaat
ontbindt het ook zo langzaam. Rommel
ligt er ook heelwat, vooral bij de kampeerplaatsen, en het komt van beide de
toeristen en de Tanzanirs. Volgend
Freddy komt er af en toe een schoonmaakploeg de berg op, maar het zou niet
nodig hoeven te zijn.
Het was koud de kom waswater die buiten
onze tent stond, was totaal bevroren.
Een kopje warme thee smaakte dus best!
Het was warm in plaats van heet het was te merken dat het kookpunt van
water lager was dan op zeeniveau. De
warme mieliepap smaakte ook vooral met flink wat honing erin.
Tijdens het
ontbijt merkte ik dat Sylvester, de jongste van onze kruiers, er slecht
uitzag. Hij was
van het begin af de enige die een beetje onvriendelijk is. Hij was er ook niet toen wij van Umbwe hek
vertrokken en de anderen moesten op hem wachten, en droeg ook veel minder dan
de anderen. Thaddeus was een jonge
vrolijke vent en wou heel graag Engels leren om ook een gids te worden. Hij was
beresterk en droeg het meeste. Frank
was al een wat oudere man. Al was hij
altijd vriendelijk tegenover ons, kon hij erg mopperen tegen de anderen en
zorgde hij tenminste een keer voor openlijke ruzie, die bijna tot slaags werd.
Het deed vreemd aan om onze spullen te
laten dragen door anderen, en alles aan hun over te laten dat wij eigenlijk
best zelf kunnen doen, zoals tent op- en neerslaan en eten koken. De kruiers
droegen ongeveer 20 kg elk, en de pas die ze daarmee inzetten, plus het balans
dat ze toonden had de bewondering van ons beiden. Zijzelf vonden het heel gewoon in feite was Freddy verbaasd
toen ik hem vertelde dat wij normaal alles zelf droegen. Het is een werkverschaffing in een heel arm
land Toen Jean-Paul vroeg of het niet te zwaar was, en of het niet lastig was
om iedere keer weg te zijn van je gezin, antwoorden ze dat het tenminste werk
was en dat het beter was dan de mijnen.
Veel van hun hebben een boerderijtje (koffie, mais of bananen) dat hun
vrouw verbouwd en waarmee ze helpen als ze thuis zijn. Ze hebben in elk geval een flinke tip van
ons gekregen, want hun salaris is belachelijk laag. Het werd wel enorm op prijs gesteld dat ik mijn best deed om een
stuk of tien uitdrukkingen te leren in Swahili.
Met Sylvester was niet veel te spreken
hij was vrij nors en sprak niet veel Engels.
Freddy verduidelijkte dat hij koorts had. Ik gaf hem wat Panados en ook een diamox tegen hoogteziekte,
alhoewel de Tanzanirs die meestal niet willen gebruiken ze drinken liever
veel water.
Na rustig alles weer ingepakt te hebben,
gingen wij op pad eerst wat omlaag, naar het stroompje dat nu volledig
bevroren was, dan zigzaggend omhoog door het losse gruis. Steeds naar boven, weer naar beneden in een
gletsjervaleitje, dan weer naar boven Het gruis maakte heelwat stof gelukkig
had ik mijn gaiters aan. Het was
helder genoeg om Mount Meru te zien.
Lava Tower werd steeds kleiner onder ons, en wij hadden een prachtig
uitzicht over de Shira plateau aan het westen van de berg: een grote, lagere
krater dan de hoofdkrater Kibo, Shira
doofde eerder en liep daarna vol met lava van Kibo toen die nog actief was. De rand van de krater is nog te zien aan de
Shira Ridge het plateau is een vruchtbaar gedeelte waarop nog heelwat wild
leeft, en een makkelijkere, maar langere route de berg op.
Voor ons keken wij uit op de route die wij
de vorige dag gestapt hadden, en met de zoomlens van de videokamera konden wij
er mensen op uitmaken, al leken het eerder op waarshijnlijk de kruiers van de
IJslandse groep.
Na een goed uur stappen waren wij al bij
Arrow Glacier Hut. Een hut was er wel
niet die is een paar jaar geleden door een lawine verwoest. Sneeuw was er trouwens ook niet, elkel de gletsjers, en ze leken veel
kleiner dan op de kaart. Wij waren nog lang niet uitgestapt, dus gingen wij nog wat naar
boven op de Arrow Glacier route. Jean
Paul viel wat achter hij had wat meer last van de hoogte dan ik. Ik had het buikademen nu goed onder de knie,
en kon gewoon langzaam doorlopen zonder elke keer te moeten stoppen en diep
ademen. Dus Jean-Paul koos om te filmen
en gaf mij de opdracht om nog een eind verder te klimmen zodat hij het op
magnetische band kon vastleggen! Het enige leven wat wij zagen was een
spinnetje waar zou dat van leven?
Al probeerde Freddy ons de route naar
omhoog te tonen, leek het ons nog onmogelijk om die schijnbaar loodrechte
rotswand aan te top te beklimmen. Men
spreekt van vertrouwen
Toen wij beneden kwamen was de tent
opgezet. Onze eerste en belangrijkste
taak was het voorbereiden van onze rugzakken en kledij voor de top. Met kledij is het belangrijkste dat je een boel lagen aandoet om je
lichaamswarmte ertussen te isoleren. Ik had drie dry wick t-shirts met lange mouwen, dan een polar
fleece trainingspaktop en dan een dikke jas.
Op mijn benen een oude dikke maillot, en een polar tec broek. Een paar dunne sokken onder de maillot, een
paar dikke sokken erover. Mijn voeten
paste nog maar met in mijn schoenen!
Regenpak ging mee, en natuurlijk hele dike handschoenen en
balaclava. Dik verpakt!
Ik had een busje vochtige doekjes
meegenomen gebruik die anders nooit, maar het werd aangeraden op de
toerustinglijst. Omdat mijn handen erg
vuil waren, besloot ik om er enntje te gebruiken. Toen ik de verzegeling brak, knalde de lucht eruit met het geluid
van een schot. Om evntjes opschudding te
veroorzaken!
Verder ging er zoals altijd mijn
eerstehulpdoos mee, en natuurlijk mijn ontbeerlijke thermos met thee. Al drink ik veel liever puur water, deed ik
er dit keer rehydrate poeder in tegen het bevriezen en ook omdat ik het
best nodig kan hebben. Thuis hadden wij
al zakjes vor de top voorbereid, met chemische handverwarmers, extra snoep en
ander energie-eten, extra batterijen en zo.
Wij keken het nog even na - er
zat veel te veel eten in deden verse batterijen in onze hoofdlampenen kropen
daarna in onze slaapzakken. De mist tikte zachtje tegen de tent
allemaal kleine ijskristalletjes. Veel slapen deden wij niet, maar het deed toch deugd om te
rusten. Zelfs met gewone taken zoals
rondscharrelen in de tent ging onze polsslag merkbaar omhoog. Waar ik wel een klein beetje trots op ben is
dat mijn rustpolsslag nog tussen de 60 en 70 was zelfs langzamer dan die van
Jean-Paul! Ik voelde mij nog steeds
heel goed.
Tijdens de middag kwamen en nog twee
groepen opdagen een internationale groep, die ook die nacht naar de top zou
klimmen, en een Zwitserse groep, die morgen tijdens de dag zou klimmen en dan
in de krater overnachten alvorens de top te beklimmen. Dat betekende dus dat hun kruiers ook omhoog
moesten! Het leek mij ook vrij riskant
om zo lang zo hoog te blijven, maar Zwitseren zullen wel verstand hebben van
dat soort zaken.
Nadat wij het zat waren van niets doen
besloten wij te gaan wandelen naar de Little Breach Glacier ten westen van
ons. Wij maakte wel bakens, want in die
gruispartij is het makkelijkoom te verdwalen.
Sommige rotsen staan nog rechtop alhoewel ze helemaal verbrijzelt zijn
van de ijserosie een flinke duw ertegen in het zakt tot gruis in elkaar. Van Jean-Paul moest dit beslist op video, om
te laten zien hoe sterk ik wel was! De paar armzalige plantjes water geven
moest ook veel zin heeft het niet, het word toch meteen ijs.
De mist werd heel dik, en wij besloten maar
terug te gaan goed dat wij de bakens gemaakt hadden. Even later trok de berg weer open net op
tijd om ervan te genieten tijdens zonsondergang. Freddy was aan het dansen en zingen bij zn tent het deed mij
deugd te weten dat hij evenveel naar de laatste klimtocht uitzag als wij, al
was hij al zo vaak de berg op geweest.
De gidsen verkiezen ook Arrow Glacier boven de konventionale route. Na een maaltijd van soep en stamppot kropen
wij weer in onze slaapzakken. Slapen
deden wij niet. Freddy zou ons om
middernacht roepen. Geeneen van ons had
een horloge meegenomen, maar Freddy had zn radiotje. Uur na uur ging voorbij
terwijl ik met een duizend gekke gedachten speelde, met het eindeloze praten
van Isaac en Freddy en het gejengel van Radio Tanzania op de achtergrond, en
elk uur dSe piepsein die toont dat de tijd toch voorbij gaat
88888888888888888888888
DAG
VIJF: VAN ARROW GLACIER HUT (4900m) TOT UHURU PIEK (5896m)
Eindelijk was het middernacht, en riep
Freddy ons om op te staan. Hij bracht
ons wat thee met koekjes, die plichtmatig opaten. Gauw de slaapzak oprollen, wat extra lagen kleren aandoen,
bergschoenen aan en uit de tent. Freddy
en Isaac stonden achter de tent en in mijn opgewondenheid draai ik naar hun toe
terwijl ik mijn rugzak op mijn schouders hijs. Stom want ik struikel over de
tentlijnen en val met een smak op mijn knie.
Gelukkig maakte ik een zachte landing op mijn rugzak. Als dat nier het geval zou geweest zijn, had
ik de finale klim wel kun dagzwaaien, en zou de afdaling een pijnlijke
geschiedenis geweest zijn. Ik dacht
terug aan Psalm 121: Hij zal niet toelaten dat uw voet wankelt en was
dankbaar.
Jean-Paul was nog 5 minuten in de tent aan
het rommelen en stommelen net lang
genoeg voor ons om koud te worden!
Ondanks alle warme lagen deden mijn vingers en voeten pijn van de kou. Eindelijk kroop hij uit de tent en begonnen
wij met de langzame schuifeltocht door het gruis: Freddy voorop, dan ik,
gevolgd door Jean-Paul en als laatste Isaac.
Het was een prachtige nacht. De maan was driekwart vol, en gaf genoeg
licht om bij te klimmen wij hadden onze hoofdlampen niet nodig. De berg rondom ons leek op iets uit een
droom: de gletsjers blonken met een blauwwitte glans, boven ons waren de
rotswanden duidelijk zichtbaar, met de kloven en scheuren als inktzwarte
schaduwen, terwijl achter en beneden ons het kamp steeds kleiner werd, met de
schaduw van Lava Tower donker op de actergrond. Door dit droomlandschap sjauwde wij voort. Al gauw kregen Jean-Paul en ik het te warm
alhoewel mijn tenen en vingers nog pijn deden van de kou, was ik aan het zweten
onder mijn 5 lagen kleren. Nadat wij
een half uur onderweg waren, zagen wij lichtjes onder ons: de tweede groep was
onderweg. Een uur later waren ze
verdwenen wij hebben die mensen niet meer gezien, nog op de top nog op de
route naar beneden.
Linkervoet, rechtervoet, linkervoet,
rechtervoet. Linkerstok, rechterstok,
linkerstok, rechterstok De begeleiding
voor dit eentonig ritme werd gegeven door het bonzen van mijn hart. Om de tien, twintig meter even wachten om
uit te blazen Freddy noemde het
briefing de Swahili-sprekendes kunnen (net als de Nederlanders!) de th
niet goed uitspreken. Onze kelen deden
zeer van de droge lucht, maar met buikademen lukte het mij nog goed om genoeg
zuurstof te krijgen. Wij waren blij dat
wij de stokken hadden erzonder zou het veel moeilijker geweest zijn. Het werd steeds stijler: het schuifelen
verminderde en het klauteren begon.
Toch leek die rotswand net zo hoog, net zo onverbiddelijk als
beneden. Om jezelf omhoog te heisen
over rotsblokken was geen kleine taak in die ijle lucht. Maar n keer heb ik om hulp gevraagd: toen
een rotsblok met ijs bedekt was vroeg ik liever om een hand dan om naar beneden
te vallen. Freddy rukte bijna mijn
schouder uit zn gewricht!
Het was verbazend hoe Freddy de weg
wist. Het was niet gebakend, er was
geen pad, en toch liep hij zonder aarzelen voort. Vaak leek het voor ons onmogelijk om verder te gaan, maar hij wist altijd een manier te vinden
om een rotsblok, over een richeltje.
Soms hielp het dat het donker was je kon de afgrond onder je
makkelijker negeren!
Jean-Paul en ik hadden al onze adem nodig
om voort te kunnen. Daartegenover waren
Isaac en Freddy continu aan de praat en dat terwijl de ene voor, de andere
acter ons liep. Ik merkte dat de
Tanzanirs Kenia-moppen tapte elke keer zei eentje wat over Nairobi, even
later werd er gegrinnikt. Het eindeloze
gepraat raakte op onze zenuwen, maar toch vond ik het moeilijk om hun te vragen
om te stoppen.
Tegen het einde van de klim moest ik
terugdenken aan Annekes geboorte, die heel lang en moeizaam was. Dezelfde focus op ademhalen, dat steeds
moeilijker ging, dezelfde tijdloosheid.
Ook hier was teruggaan onmogelijk toen wij eenmaal met klauteren
begonnen waren. Ook toen werd er boven
mijn hoofd heen en weer gepraat. Zelfs
mijn stem had dezelfde ademloze toon
Jean-Paul had meer moeite dan ik. Het gebeurt niet vaak dat ik op hem moet
wachten! Een fout maakte ik wel, en dat
heb ik later moeten bezuren. Omdat het
beneden het vriespunt was, moesten wij steeds ons drinkwater uit ons slangetje
terugblazen tot onze waterzak, want als het water in het slangetje bevriest heb
je er niets meer aan. Ik had daar
echter moeite mee, en moest Jean-Paul vragen om het elke keer terug te
blazen. Ik wilde het niet te vaak
vragen, en dronk daardoor te weinig. Ik
geloof nog vast dat ik geen problemen met hoogte gehad zou hebben, als ik
tijdens de klim meer gedronken had.
Ineens waren wij er. De kraterrand. Voor ons lag de
ijsmassa van de Kurtwangler Gletsjer. Hier stond wat wind, en gauw dedn wij onze regenpakken aan. Een kopje thee deed ook deugd een
alternatieve betekenis van high tea!
Ik voelde mij nog goed, Jean-Paul iestje minder. Van Freddy kreeg ik het kompliment dat ik
een very tough lady was! Maar lang
konden wij niet wachten het was te koud daarvoor, en het begon al licht te
worden in het westen. En in het westen
lag ook nog de finale obstakel tot de top de style wanden van Uhuru-piek, nog
zon 150 meter hoger.
Voorzichtig klommen wij over het gladde ijs
van het staartje van de Kurtwangler Glestjer, blij dat wij niet ver over het
ijs hoefden te gaan. Langzaam liepen
wij naar die piek, terwijl de lucht steeds lichter werd. Zonsopgang op de top leek dus niet meer
haalbaar. Aan de voet van Uhuru-piek
was het al licht. Weereens was dit een
stijle klim door puin. Na 10 minuten
klimmen ging Jean-Paul zitten, en vroeg mij om verder te gaan. Hij voelde zich misselijk en duizelig. Freddy nam een koord en wilde hem trekken,
maar daar wou hij niets van weten. Op
eigen kracht of niet! Bezorgd kuste ik
hem. Wij hadden van te voren
afgesproken dat als een van ons niet verder kon, de andere door zou gaan, maar
het was het moeilijkste van de klim om hem daar achter te laten. Isaac bleef bij hem en Freddy liep met mij
mee al een heel eind verder op de berg die nu oranje gloeide.
Die laastste klim vergde het uiterste. Met mijn hele wezen zette ik in om de ene
voet voor de andere te zetten. Ineens
hoorde ik Jean-Paul wat roepen verdwaasd keek ik hem aan. Wat is er? De zon, nou ja de zon, wat is ermee? Ja, hij komt op, dat zie ik ook wel. Wil je er een foto
van? OK danmaar ik moet verder. Ik moet mijzelf verder omhoog sjouwen. Ik voelde mij ook heel vreemd: misselijk en
lichthoofdig, alsof ik er niet echt was.
De moeite om voort te gaan was evenveel psychisch als lichamelijk.
Eindelijk klim ik over de rand. Er is een licht glooiende helling voor
mij. Wat doen al die mensen daar in de
verte, daar bij dat bord, alles zwart afgetekend tegen de felle octendzon? Oh, de top is daar ik ben er nog
niet. Nog 200 meter stappen. Toe nou, het is gewoon stappen. Mijn voeten slofde door het gruis, mijn
stokken kon ik niet meer gebruiken en liet ik maar achter mij slepen.
Ik was er.
Uhuru-piek, 5890 meter boven zeespiegel. Het dak van Afrika, de hoogste vulkaan ter wereld, de hoogst
alleenstaande berg. Ik stond er
verdwaasd tussen al die mensen, Freddy feliciteerde mij en omhelsde mij, het
kon mij niets schelen. Ik draaide mij om en begon te huilen. Ik miste Jean-Paul
en was bezorgd voor hem, voelde zelf ook beroerd. Mijn gedachten warrelden door elkaar, mijn emoties niet veel
beter.
Ik probeerde wat thee in te schenken het
was haast te veel gevergd. Na een paar
slokken gooide ik het weg. Groepen poseerde by het bord, drapeerde
vlaggen en zo uit gewillig nam ik fotos.
Nam zelf fotos in iedere richting, van krater en gletjers. Afrika was zoals altijd onder een dik
wolkendek verdwenen. Ik ontdekte dat ik
mijn hoofdlamp kwijt was en vond dat heel vervelend, want ik had het van een
vriendin geleend. En al die tijd maar turen in de verte of Jean-Paul
er aankwam. Ik
liep terug naar de rand, maar wist dat ik niet de kracht zou hebben om weer
naar boven te klimmen.
Eindelijk zag ik hem mij
tegemoetkomen. Blij liep ik naar hem
toe. Hij was ademloos en duizelig, maar
was voornamelijk boos dat ik de videokamera niet meegenomen had. Gehoorzaam nam ik hem over en filmde het
uitzicht, met wat kommentaar in een ademloze stem, en sjouwde toen mijn man
achterna.
Daar stonden wij dan, in elkaars armen,
allebei met tranen in onze ogen de emoties van dit ogenblik waren
overstelpend. Het was alsof wij alleen
waren alle mensen om ons heen , het geroep en heen-en-weer geloop, Freddys
radio alles was weg, maar wij hadden alkaar, hier op deze hogeberg in die
ijle lucht, en wij hadden elkaar lief.
Wij hadden het ook gehaald, samen gehaald! Jean-Paul prevelde wel, dat die laatste klim het moeilijkste was,
dat hij ooit gedaan had. En dat zegt
wat van een ultra-bergmarathonloper!
Terug naar de realiteit: de nodige fotos
moesten gemaakt worden. Terwijl wij er
waren, kwam de Childline groep ook aan tegen mijn verwachting in, hebben ze
het allemaal gehaald. Van de Vodacom
groep haalde maar 7 van de 18 het -dat toont, wat een grote rol motivatie
speelt! De nodige felicitaties werden uitgewisseld toen was het hoog tijd dat
wij naar beneden gingen ik was al eigenlijk veel te lang op de top, en kon
dat goed voelen. Ik grapte met
Freddy:Nu weet ik waarom ze deze route de whiskey-route noemen! Ik zou nu met geen mogelijkheid op een
rechte lijn kunnen lopen (De
gemakkelijkste route de berg op word de Coca-Cola-route genoemd).
Ik maakte mij nog steeds zorgen over mijn
hoofdlamp. Mijn rugzak had ik al
nagezocht geen makkelijke taak op die hoogte. Ineens kwam Isaac ermee aanzetten hij had het op het pad
gevonden. Het was er waarschijnlijk
afgevallen toen ik mijn balaclava naar achteren schoof.
Iets wat ons meeviel was de temperatuur
boven. Wij hadden ons voorbereid op 20
graden, maar zo koud was het niet.
Gelukkig stond er ook geen wind.
Later hoorde ik van iemand dei een thermoneter meehad, dat het 9 graden
was.
DAG
VIJF: VAN UHURU PIEK (5896m) TOT MWEKA KAMP (3100m)
Een beetje zwaaiend en sloffend begonnen
wij aan de terugtocht, langs het indrukkendwekkende Zuidelijke Ijsveld. De gletsjer blonkt blauwwit in de
ochtendzon, en was bedekt met reuze ijspegels.
Er was echter nergens sneeuw.
Omdat wij met de populaire route naar beneden gingen, was er heelwat
verkeer: de mensen die naar boven liepen met uitgeputte, doch vastberaden
gezichten, en dan de mensen die naar beneden gingen even uitgeput maar toch
ook met een voldane galns op hun gezicht.
Wij kwamen onze Duitse vriend uit Kaapstad weer tegen hij was er
bijna, en dat nadat hij zo ziek was geweest!
Het afdalen was meer een soort skin door
het gruis een kwestie van balans in beweging. Het ging vrij vlot, maar was wel heel stoffig. Het fijne stof ging in neus, oor en mondholte
zitten. Al gauw verwisselede wij balaclavas
voor zonnehoeden, en ontdeden wij ons van verscheidene lagen kleren.
Ik was weereens voorop met Freddy, en ging
vrij snel ik wou bij de Barafuhut uitkomen om daar goed te rusten, dus wou er
zo snal mogelijk zijn. Ik dronk nog
steeds te weinig mn slangetje zat per ongeluk in mijn rugzak, en ik wou niet
stoppen om het eruit te halen. Aan
Freddy vragen wou ik ook niet ik kon het mis hebben, maar ineens voelde ik
mij niet helemaal op mijn gemak met hem.
Hij schoot een beetje te vlug met hulp aan. Iets proberen zou hij niet, dan is hij zn kostbare baan
kwijt. Maar ik merkte wel dat hij met
zn innemende glimlach de aandacht trok van veel van de vrouwen.
Het was heet en ik had hoofdpijn. Met verwoede pas stapte ik voort naar dat
kamp daar in de diepte het laatste stukje voorzichtig over basaltrotsen. Er was een heel klein beetje schaduw bij de
hut. Het zag er niet al te schoon uit,
maar dat kon mij niets schelen. Het
eerste wat ik deed was een paracetamol nemen.
Ik besefte dat ik gedehydreert was en schrok eigenlijk toen ik zag
hoeveel water ik nog over had. Gelukkig
zat er Rehydrate in. Langzaam, met
kleine slokjes, dronk ik tenminste een liter op. Een Caprisonne fruitsapje deed ook deugd die hadden wij mee in
geval ons water bevroren zou. Al had ik
geen trek, peuzelde ik wat aan een amandel- en honingkoek. Terwijl ik met dit alles bezig was kwam
Jean-Paul eraan die voelde zich ook belabberd. Hij dronk enkel wat water dom van mij om niet te vragen of hij
ook een paracetamol genomen had. Hij
zat maar stil tegen de rotswand.
Het effect op mij van de paracetamol, het
eten en drinken was verbazend. Na een
uurtje rusten voelde ik mij weer helemaal de oude, met genoeg energie om door
te gaan. De top was ondertussen weer
verdwenen in de mist, en in de schaduw was het al lang te koud om stil te
zitten.
Het pad verder liep geleidelijk omlaag
het was een makkelijk wandelpad.
Oudergewoonte moest ik weer telkens een rots opzoeken om een plas te
doen een goed teken dat mijn waterhuishouding weer in orde kwam. Jean-Paul voelde zich nog steeds rot. Ineens zei hij dat hij een paracetamol gaat
nemen, kijken of dat helpt. Ik was heel
verbaasd dat hij dat nog niet gedaan had.
En ja hoor, hey presto! Een
tiental minuten later is mijn ventje weer spraakzaam, en kan er zelfs een
lachje af!
Ineens zien wij weer planten, die steeds
groter worden naarmate wij dalen. De
grond is bros en droog en het pad vrij verweerd ik gebruik liever mijn
loopstokken niet, die veel bijdragen tot de gronderosie in deze streek. Dit pad word ook als afdalingsroute gebruikt
voor meerdere klimroutes, dus word heel veel gebruikt. Dalen veroorzaakt ook meer erosie dan
klimmen. Het pad is dus in een slechte
staat, en er word weinig aan gedaan om het te versterken. Men maakt er gewoon een pad ernaast, hetgeen
nog meer bijdraagt tot de gronderosie.
Tegen drien komen wij bij Mweka kamp aan,
hetgeen net binnen de boomgrens ligt.
Het is er stoffig, druk, lawaaierig en vies. Onze kruiers komen er ook net aan. Wij gaan lekker lui in het kleine beetje gras liggen, dat wij
kunnen vinden. Er breekt ruzie uit
onder onze gidsen en kruiers, en het word bijna slaags met tentpalen. Gelukkig kalmeert iedereen weer en de tenten
worden opgezet. Ik vraag wat water om
mij te wassen, en doe dat zo goed als het kan in een klein kommetje water. Met schone kleren aan rolde wij de
slaapzakken uit wat was het lekker om te liggen! Rustig praten wij nog wat, proberen wij deze lange dag te
herleven, maar toen Freddy ons voor eten riep, waren wij allebei diep in
slaap. Na het eten kropen wij er meteen
weer in. Na twee nachten niet slapen
(voor mij althans) en een dag die lichamelijk en emotioneel uitputtend was,
sliepen wij die nacht als op een zacht bed in plaats van die harde matjes. Ik droomde veel van de kinderen, een teken
van hoeveel ik ze miste. Ook en vreemde
droom waarin Clovelly, het woongebied aan de andere kant van de Vishoekvallei,
door vuur en vliegtuigen verwoest werd.
Een vreemde droom voor iemand die nooit van geweld droomt, en een
verontrustend voorgevoel van de gebeurtenissen vier dagen later, 11 September
2001.
Ondanks alle dromen deed de goede nachtrust
ons deugd. Vooral Jean-Paul was een
ander mens de volgende ochtend: vrolijk, met iedereen grapjes aan het maken en
vol enrgie. Goed om hem weer zo te
zien! Er werd van tevoren gewaarschuwd
dat je de afdaling goed zou merken aan de beenspieren en gewrichten, maar het
enigste wat ik heb is een blaartje op mijn grote teen niet slecht! Wij eten en pakken vlug op, met een extra
tas voor alle kleren, schoenen en andere spullen die wij beneden aan de gidsen
en kruiers zullen geven. Al geven wij
elk een goede tip, hebben ze meer aan die spullen omdat er in Tanzani zo
weinig te koop is.
Wij zetten er weer flink de pas in, en
halen ettelijke groepen in, onder andere de Childline groep. Jean-Paul vind zn bergloperspas en
verdwijnt het pad af. Ik volg op een iets
rustiger tempo natuurlijk weer met Freddy. Vaak hoor ik de groetJambo, jambo acher mij en dan komt er weer
er kruier aangehold met een lading op zn hoofd, door de glibberige modder vlug
naar beneden. Hun evewichtsgevoel is onvoorstelbaar. De paden zijn uitgehold tot diepe sloten ik word er echt
bezorgd over. Als hier niets aan gedaan
word, is de berg over een jaar of tien onbegaanbaar. Ik besluit een brief te schrijven naar Kilimanjaro Natioanl Park,
en terwijl ik loop komen er nog meer ideen op.
Ik geniet weereens van het bos. Het was zonnig, niet mistig zoals bij Umbwe,
en dat gaf het bos een heel ander karakter.
Soms vergat ik dat ik niet tegelijk kon kijken en lopen viel daardoor
twee keer met mijn gat in de modder! Ik
wist, dat ik hier nooit meer zou komen, en deed dus alles open om ervan te
genieten, de vorm van een varen, de vele bloemen, de kleuren van de
boomstammen, het zonlichtspel door de hoge bladeren. Freddy moest maar wachten ik genoot, en nam ook heelwat fotos. En keer zagen wij zelfs aapjes die elkaar
buitelend achterna zaten in de hoge takken.
Het pad werd een jeeppad, in het bos
verschenen er bananenbomen. En voordat ik het wist opende het pad zich uit,
stonden er jeeps, bussen, malende mensen, onder wie Jean-Paul die mij
glimlachend tegemoetkwam. Mweka-hek, het
eindpunt. Wij voelde voldoening omdat
wij het gehaald hadden, maar ook een beetje weemoed: iets van jezelf laat je op
de berg achter, en het besef dat het voorbij is, dat de droom vervult is, dat
wij dit waarschijnlijk nooit weer zullen ervaren liet toch en leemte achter.
Isaac vult onze certificaten in, wij geven
de tips. Bij het hotel zal er nog een
ovehandigingsceremonie zijn. Bij het
hotel is ook een douche, kunnen wij ons haar wassen, schone kleren aandoen
wat een heerlijk vooruitzicht! Wij stappen nog een eind verder naar de jeep van
het hotel. Bedelende kinderen staan aan
de kant, en bij de parkeerplaats probeert iedereen je wat te verkopen.
Wij stappen de auto in, waar een
lunchpakketje voor ons klaarlag. De
auto reed hobbelend het weggetje af, terug naar Keys Hotel in Moshe.
Terug naar huis, naar onze kinderen.
888888888888888888888888888
Terug naar Jean-Paul's Travel Page
Terug naar Jean-Paul's Home Page